vrijdag 10 augustus 2018

Verkeerde zwembroek

Eindelijk, onze welverdiende vakantie. Elf dagen op een Grieks eiland, heerlijk genieten. Dat de eerste dagen best stresserend zijn voor zoonlief, dat weten we. Al valt dat tegenwoordig reuze mee. Naarmate hij wat ouder wordt – twaalf ondertussen – past hij zich steeds vlotter aan aan nieuwe situaties. En al verblijven we op een eiland waar we nooit eerder waren, helemaal nieuw is het hele concept niet. We verblijven namelijk voor de vierde keer op rij in een Grieks all-in hotel. De ‘gang van zaken’ is gelijkaardig en zoonlief is bijgevolg meteen in zijn nopjes in ons hotel. 

Op enkele mini-crisisjes na loopt het allemaal verdacht soepel. Tot de derde dag van ons verblijf aanbreekt. Na een deugddoend ontbijt op een veel te warm terras, kijken we met zijn vieren enorm uit naar een frisse duik in het zwembad. Heerlijk, dat koele water! De twee broers hebben hun zwembrillen en snorkels bij en duiken dat het een lieve lust is. Wat mooi om ze zo bezig te zien, zeker als je je bedenkt dat de oudste vorig jaar nog niet kon zwemmen. 

Na een uurtje dolle pret vraag ik me terloops luidop af of de jongste grote broers zwembroek niet aan heeft. Kan gebeuren, ze hebben immers allebei dezelfde maat. Geschrokken laat de oudste letterlijk alles vallen waarmee hij bezig is. Hij werpt een blik op de betreffende zwembroek en zijn eerder nog zo vrolijke snoetje verandert in een donkere, boze donderwolk. Ik onderdruk de neiging om met mijn ogen te rollen. Waarom, waarom, waarom moest ik dit per se luidop zeggen? Het ging net allemaal zo goed. Aan zijn bedrukte gezicht te zien is het geen bui die zomaar even zal overwaaien. 

‘Doe die zwembroek uit,’ bijt hij de jongste toe, terwijl die onder water speelt met een snorkel tussen zijn lippen geklemd. Wanneer hij terug boven komt, ziet hij pal voor zich een boze broer die nogmaals van hem eist zijn zwembroek uit te trekken, ditmaal nog veel dwingender. Zich helemaal van geen kwaad bewust en duidelijk niet van plan zich zijn waterpret te laten ontnemen, kijkt hij zijn broer slechts een tel vragend aan en duikt hij weer onder water. Wanneer hij terug boven komt, ontwijkt hij meteen vakkundig grote broers hand die op weg is naar zijn hoofd. Ik leg hem uit wat er aan de hand is en vraag hem of hij niet even zijn zwembroek wil gaan verwisselen. 

Dat het zo leuk is en dat hij in het water wil blijven en geen zin heeft om naar onze hotelkamer te gaan. Hij zegt het me met grote onschuldige ogen en ik begrijp ook helemaal dat hij dit niet wil. Een verkeerde zwembroek, waarom is dat zo’n drama? Met mijn autibril op begrijp ik het probleem, anderzijds vind ik het toch weer o zo veel gedoe voor iets o zo banaals. 


Ondertussen staat grote broer te briesen aan de rand van het zwembad. ‘Geef mij de deurkaart, nu! Ik ga een andere zwembroek voor hem halen.’ Zijn toon bevalt me niets, maar ik besluit er niets over te zeggen en geef hem zonder morren de deurkaart van onze kamer mee. Dat hij zelf het initiatief neemt om iets aan zijn probleem te doen kan ik immers alleen maar aanmoedigen. Van ver zie ik hem enkele minuten later al weer komen aandraven, de zwembroek van broerlief demonstratief in zijn handen geklemd. In een poging de situatie te redden manen manlief en ik onze jongste aan uit het water te komen. Na enige aarzeling doet hij braaf wat we hem vragen. Met een diepe zucht probeert hij – in een handdoek gewikkeld zodat niemand zijn edele delen zou zien – zijn natte zwembroek uit te trekken. Dat gaat moeizaam en na enkele tellen knoeien houdt hij het voor bekeken. ‘Het lukt niet, iedereen kan mij zien en ik ben naar hier gekomen om leuk te zwemmen! Als broer zo gemeen tegen mij doet, vind ik bovendien niet dat ik daar naar moet luisteren.’ 

Ik begrijp hem, helemaal. Ik begrijp ook dat de oudste het moeilijk heeft en dat daar schijnbaar een snelle oplossing voor is. Anderzijds weet ik dat naar zijn gevoel de situatie zodanig is geëscaleerd dat hij zich daar niet meteen zal over zetten. Ik leg de oudste uit dat ik begrijp dat dit belangrijk voor hem is, maar dat ik ook begrip heb voor zijn broers reactie en geen zin heb hem te verplichten zijn zwembroek te verwisselen. Ik vertel hem dat hij volgende keer zijn eigen zwembroek weer terug heeft en dat ik er mee op zal letten dat zoiets voortaan niet meer gebeurt. Terwijl ik mijn woorden uitspreek wringt mijn hele gevoel tegen en besef ik dat dit hem absoluut niet kan troosten. Ik voel me een slechte moeder.

Zoonlief laat me verbazend genoeg geduldig uitspreken. ’Oké,’ zegt hij verdacht rustig en met een verbeten ondertoon, ‘vanaf nu is mijn lievelingszwembroek van hem. Maar dan gaan we straks wel een nieuwe voor mij kopen.’ Hij richt zijn blik op mij zonder echt in mijn ogen te kijken. Paniek en verwarring overheersen in zijn hele houding.

De komende minuten spendeert hij zittend op de vloer. Alle spullen die van hem zijn en die hij binnen handbereik heeft, gooit hij een voor een in het rond nadat hij ze eerst bijna heeft vernield. Nooit meer gaat hij in het zwembad, beweert hij, nooit meer. Zijn bui houdt nog meer dan een uur aan.

De volgende dag – in het zwembad, met zijn favoriete zwembroek aan - verklaart hij me met veel zelfinzicht schaapachtig dat hij het zichzelf toch altijd zo moeilijk maakt wanneer hij overprikkeld is. Wat een knappe kerel heb ik toch.



(gepost met toelating van zoonlief)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten